bubbels 2

IJsman en Visvrouw deel 1

In het heel hoge noorden woonde een man. Hij werkte in de ijsfabriek met honderddertien andere mannen. Elke dag keek hij de mannen in hun gezicht, maar niemand keek terug. Elke avond sjokte hij in zijn eentje naar huis en draaide en woelde de hele nacht. Er gingen dagen voorbij zonder dat er een woord gezegd of een blik gewisseld werd. De man werkte en sjokte en zuchtte. Al zo lang hij zich kon herinneren hoopte hij op een vriendelijk woord van iemand. Onvriendelijk desnoods. Een woord, wat dan ook. Of alleen een blik.
Op een dag deed hij wat anders. Hij sjokte zijn huis voorbij. Zijn rug iets rechter. Zijn stappen iets groter. Hij kwam bij een rivier en liep de brug op. Midden op de brug gleed hij uit en belandde met een plons in het water. De kou benam hem de adem en verlamde zijn spieren. In een oogwenk was hij bevroren. Maar hij verdronk niet. Hier moet toverij in het spel zijn, dacht hij. Hij dreef, bevroren en wel, over de rivier. Er groeide ijs aan hem. Langzamerhand werd hij een ijsklomp. En toen een ijsberg. Na een korte of lange tijd, de man had geen idee, bleef hij drijven in het midden van een grote watervlakte. Hij kon zich niet meer verroeren, maar dood ging hij ook niet.
De man vond dat zijn situatie, goed bekeken, behoorlijk verslechterd was. De eenzaamheid was hetzelfde gebleven, maar zijn omstandigheden waren van slecht naar erbarmelijk gegaan. Werken en sjokken lukte niet meer. Dus zuchtte hij drie keer zoveel. Er gingen dagen voorbij, weken, maanden zelfs. Zo nu en dan zag hij een vis. De vis zag hem nooit. Die zag enkel een grote ijsberg met een donkere vlek erin. Niks bijzonders. Na een jaar zuchtte hij zelfs niet meer. Hij had nauwelijks meer gedachten. Hij was er alleen nog maar.

FacebookFacebook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *