Naamloos

de Spinster

Ergens in een land onder de wolken woont een meisje. Ze is van het dromerige soort. Dat je haar wat vraagt en ze je recht aankijkt, maar toch geen antwoord geeft. Of zelfs zich midden in een gesprek omdraait en naar buiten loopt. Zo’n vaag meisje, nooit helemaal aanwezig. s’ Ochtends zit ze op school te dromen. s’ Middags droomt ze boven haar huiswerk. En s’ avonds ligt ze wakker in haar bed. Maar als ze eindelijk bijna in slaap valt, dan begint haar werk. Dan zweeft ze in haar halfslaap het bed uit, recht naar boven, door het dakraam. En ze zweeft nog verder. De donkere avond door, boven de verlichte huizen. Hoger. Tot de laagste van de wolken. Daar steekt ze haar hand uit en tast voorzichtig in de volle frisse wolk tot ze een sliertje vind. Ze trekt er aan en en draait het een beetje tussen haar vingers. En trekt nog wat en draait weer. En ze trekt en draait steeds vlugger tot er een lange wolkendraad ontstaat. Die wikkelt ze tot bollen. Als het er genoeg zijn, zweeft ze weer naar beneden met haar armen vol bollen wolkenwol. Terug door de nachtlucht naar haar eigen verlichte dakraam. Daar klimt ze weer naar binnen. Soms kruipt ze stiekum in haar bed, maar slapen lukt echt nooit. De wolkenbollen liggen op een stapel in de hoek van de kamer en tinkelen en fonkelen zo hevig dat ze steeds wakkerder wordt. Uiteindelijk geeft ze zich toch weer gewonnen sleept zichzelf uit bed. Eén voor één pakt ze de bollen op. Ze sluit haar ogen houdt ze een tijdje in haar handen. Tot ze weet wat ze te vertellen hebben. Dan begint ze te weven. Ze weeft alle draden tot verhalen. De verhalen die de wolken die dag in zich hebben opgeslagen.

Maar je snapt wel dat dit niet een gezonde werksituatie is voor het meisje. Er zijn nachten dat ze zo vreselijk moe is, dat ze zo zwaar van vermoeidheid is, dat ze niet meer kan zweven. Dan blijft ze in bed. De wolken worden in die nachten niet gesponnen en worden zwaarder en zwaarder. Eigenlijk net als het meisje. Het meisje blijft van zwaarte in haar bed, de wolken gaan van zwaarte lekken. De ongesponnen verhalen vallen zomaar naar beneden. Kletsen op de daken, sijpelen door de dakgoten, stromen over de straten. Ze tikken tegen de ramen, spetteren op de bladeren. Het kan zelfs gebeuren dat de nacht niet lang genoeg is om de wolken te legen. Dan gaat het overdag verder. En de mensen voelen zich treurig. Al die verhalen die zomaar ongebruikt wegspoelen. Zulke dagen zijn grauwer. Saaier.

Andersom zijn er ook nachten waarin er geen wolk te vinden is. Dan zweeft het meisje hoger en hoger. Tot aan de sterren. Dat zijn de nachten waarin ze niet hoeft te spinnen of te weven. Ze kan weer naar haar bed en heerlijk slapen. En dat doet ze ook, maar pas nadat ze een tijdje met de sterren heeft gespeeld. Tinkel tonkel tikkertje. Knikkeren in het wensputje. Handstandoverslag op de melkweg. Daarna moegespeeld onder de wol. De wolkenwollendeken.

FacebookFacebook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *