pluisjes

De brommer

Er was eens een jongen. Zijn naam was Wim. Hij had geen vrienden. Zijn vader schreeuwde tegen  hem, zijn moeder jammerde. Op school snapte hij niet zoveel. En wanneer hij het wel snapte, kon hij niet de goeie woorden vinden voor het antwoord. Hij hoopte altijd maar dat zijn cijfer niet hoger werd dan een één, want daar kon hij een nulletje achter tekenen. Dat scheelde weer een beetje geschreeuw en gejammer.
De meeste tijd bracht hij door op zijn kamer met de leesmap van zijn moeder. Die spitte hij van voor tot achter door op zoek naar foto’s van Parijs. Als hij er één vond, trok hij de lijnen over, of hij nam het blad mee naar de Super om te kopiëren. De leesmappen moesten namelijk na een week ongeschonden weer ingeleverd worden. De kopietjes en de tekeningen bewaarde hij in een steeds dikker wordende map in zijn nachtkastje.
Elke avond voor het slapen bladerde hij in zijn map en droomde over Parijs.

Zijn fascinatie was begonnen met een briefkaart van een verre oom die verder nooit wat van zich liet horen. De oom was net in Parijs gaan wonen en daar zo opgetogen over dat hij alle mensen in zijn adresboek een kaart had gestuurd.
Binnen een week was de oom onder een auto gelopen en overleden, maar daar wist Wim niks van. Wim had de kaart op de deurmat zien liggen. Voorop stond de Eiffeltoren met daarvoor een dansende man met een hoed in zijn hand en achterop twee woorden: Vrijheid!! Leon.
Wim was op slag betoverd. Parijs. Daar had je dus vrijheid. Daar danste je op straat. Daar waren geen schreeuwende vaders of jammerende moeders. Wie weet wat hij daar wel niet allemaal kon doen! De dag erna werd hij acht jaar en toen hij zijn acht kaarsjes uitblies wenste hij, nee, nam hij zich voor dat hij naar Parijs zou gaan zodra hij oud genoeg was.

Acht jaar daarna werd hij zestien. En zijn meestal zo boze vader deed voor één keer iets goeds. Hij nam voor zijn zoon een rammelige brommer mee. Had hij geweten wat het uiteindelijke gevolg daarvan zou zijn, had hij zich wel tien keer bedacht. Maar ja, hij wist het niet. En Wim was zo blij dat hij per ongeluk zijn vader een knuffel gaf. Waarna ze allebei geschrokken achteruit stapten. Vader glipte het huis in en Wim scheurde op zijn brommer het dorp uit. Moeder in alle staten van bezorgdheid achterlatend.
Een paar weken later deed Wim voor de tweede keer examen en zakte weer. Vanzelfsprekend. Hij moest naar het volwassen onderwijs het volgende jaar. Dat was in de stad. In de zomer werkte Wim zich een slag in de rondte bij de Super. Hij draaide drie diensten per week, had nauwelijks nog tijd om te slapen en aan het eind van de zomer, toen de school in de stad begon had hij een indrukwekkende hoeveelheid geld op zijn rekening staan.
Op de ochtend van de eerste schooldag pakte Wim zijn tas, zette zijn helm op en stapte op zijn brommer. Moeder vroeg nog heb je dat vandaag echt allemaal nodig jongen? Straks kieper je nog om met die zware tas. Maar vader vond dat hij nu eindelijk eens wat motivatie liet zien dus hou toch op met zeuren, mens! En weg was Wim.
Hij snorde naar de stad en hup er voorbij. Op naar Parijs. Eindelijk!

Na een halve dag brommen merkte hij verandering in de omgeving. Het gras leek wat feller groen. De bomen donkerder. En de boerderijen hadden wel heel rode daken.
Het werd tijd voor een boterham. Hij liet het gas los en puffend kwam de brommer tot stilstand. Juist bij een klein slingerpaadje dat een bloemig weiland in kronkelde. Wim pakte zijn broodtrommel en een fles water uit zijn tas en liep met onwennige benen het paadje op. Na een meter of tien ging hij zitten in het gras. Hij at zijn brood en dronk zijn water en daarna liet hij zich achterover vallen. Soezerig keek hij naar de lucht. Wolkje hier, wolkje daar. Drenzende bijen. Een verre grasmaaier. En hij sliep.

Au! Een stekende pijn in zijn rechter kuit. Wim schoot overeind, greep naar zijn been en keek recht in een boevige grijns. Een jongetje niet ouder dan vier stond over hem heen gebogen. Zijn voeten ver uit elkaar, zijn handen op zijn knieën.
“Doet pijn he? Dacht ik al. Ik schopte ook hard. Heb jij een voetbal? Mijne is stuk. Dat komt door de hond. Wat zullen we gaan doen? Als jij een voetbal hebt, kunnen we voetballen.”
Wim schudde even met zijn hoofd. “Ik was.. Ik ga…”, mompelde hij. Maar het jongetje had geen tijd om naar Wim te luisteren zo druk was hij met zelf praten.
“Morgen mag ik naar school toe. Mag jij ook naar school? Mijn juf heet Trudy.”
Wim stond op en liep naar zijn brommer. Het jongetje huppelde achter hem aan. “Ooooohwaauw! Heb jij een brommer? Mag ik er es op? Ik kan dat heel goed hoor! Ik heb al bijna geen zijwieltjes meer.”
Wim dacht dat er nog nooit iemand zoveel tegen hem had gezegd. Hij was er niet zeker van of hij dat zo’n gemis vond. Hij wilde net op de brommer stappen toen een klein klam handje in de zijne gleed. En voor hij het wist liep hij gedwee met het jongetje mee naar de boerderij.
“ Mamma heeft koekjes gebakken. Gaan we voor het voetballen even opeten. Hou jij wel van spinazie? Ik niet. Ik hou van erwten. Mamma zegt dat ik spinazie ook moet eten.” Het kind bleef maar babbelen. Zo nu en dan sprong hij even opzij of omhoog, maar voor de rest in een rechte lijn door de bloemenwei naar een gat in de bomenrij eromheen. Aan de andere kant lag een kleine boerderij. Rood dak. Schuurtje. Stal. Dat was het. En een deur in twee delen, waarvan nu het bovenste deel open stond. Een rood hoofd met warrige krullen kwam te voorschijn.
“Hee Bart waar bleef je nou? Nu heb ik de koekjes maar alleen gebakken!” Ze keek naar Wim. “Jij wil er vast wel een paar proeven!” Ze stak haar arm uit en gaf hem een hand.
“Wilma.”
“Wim.”
Bart sprong om Wim heen als een jong hondje. “Hij gaat even koekjes eten en dan voetballen. Hij heeft een brommer! Ik ga er zo ook op.”
Wilma fronste haar wenkbrauwen en stak haar vinger op richting Bart.
“Of niet.. Maar hij lust ook geen spinazie. Dus we moeten echt wat anders eten vanavond, mamma! Waar is je voetbal?”
Wilma lachte naar Wim en wenkte hem naar binnen. Wim stapte over de drempel en vergat helemaal zijn reis naar… Vergat zijn… Vergat.
Een week lang speelde hij met Bart. Ze kochten samen een nieuwe voetbal. Hij borstelde het paard. Haalde hooi binnen. Voetbalde. Deed tikkertje met de hond. Er kwamen blosjes op zijn wangen. Zijn rug rechtte. Zijn ogen straalden.
Tot op een middag Wilma vroeg of Wim de aardappels wilde schillen. “Het zijn hele kleintjes. Dat is wel een hoop schilwerk. Maar daarna eten we sjiek: Parijse aardappeltjes!”

Parijs! Oh ja! Wim keek stil om zich heen. Dat was ik van plan… En hij zei tegen Wilma met een brok in zijn keel: “Morgen ga ik weer verder.” En hij pakte zijn spullen bij elkaar. En de volgende ochtend had hij tranen in zijn ogen. Snel zette hij zijn helm op. Hij stapte op zijn brommer en snorde het pad af en de weg op.

Hij reed de hele dag. Stopte alleen even langs de kant van de weg om zijn boterhammen op te eten, op zijn hoede om zich heen speurend naar boevige jongetjes. En snel weer verder. Boerderijen wilde hij voorlopig vermijden.
’s Avonds kwam hij in een klein dorpje. Wat nu? Het dorp bestond uit een pleintje met glanzende kinderkopjes en een paar platanen. Aan het plein stonden een bakkerij, een supermarkt en een kerk. En een paar huizen. Allemaal met glimmende koperen deurknoppen en stoepjes met een soort kanten kleedjes erop en bankjes ernaast. Hij zag geen herberg. Waar kon hij slapen? Besluiteloos stond hij naast zijn brommer. De bakkersdeur ging open en er kwam een vrouw met een klein kind op haar arm naar buiten die de luiken voor de etalage dicht deed. Toen ze weer naar binnen wilde stappen zag ze Wim staan.
“Hee hallo! Ben je ergens naar op zoek?”
Wim zette zijn helm af. “Ja mevrouw, ik ben op reis naar Parijs en zoek een plek om te slapen vannacht.”
“O, even denken jongen… Tja, je zou bij ons kunnen blijven. Wij hebben hier boven de bakkerij een extra kamertje. Daar woont nu toch niemand.”
“Oh, dat zou fijn zijn, mevrouw!” Opgelucht zette Wim zijn brommer op de standaard en liep het pleintje over. Hij gaf de vrouw een hand.
“Ik ben Wim, mevrouw.”
“Lydia Beuker. Zeg maar Lydia, hoor. En dit hier is Willeke.”
Lydia rook naar verse broodjes en speculaas. Ze liep voor hem uit de bakkerij in. Wim stapte over de drempel en vergat zijn reis naar.. Hij vergat helemaal… Vergat…
Een week lang bakte hij brood. Hij kriebelde het kleine bakkerskindje op haar buik tot ze schaterde. Haalde het meel bij de molen. Kreeg spierballen. En hij lachte zoals hij nog nooit had gelachen.
Tot op een middag Lydia zong voor Willeke: “Tussen Keulen èn Parijs…”

Parijs! Oh Parijs! Wim hield plotseling op met kneden. Zijn handen stil op het deeg. Hij keek om zich heen. Dat was ik van… En hij zei tegen Lydia met een brok in zijn keel: “Morgen ga ik weer verder.” En hij pakte zijn spullen bij elkaar. En de volgende morgen knuffelde hij Willeke en ook Lydia. En hij knipperde met zijn ogen en zette snel zijn helm op. Hij stapte op zijn brommer en snorde het dorp uit.

De zon overgoot de dag. Plensde op het wegdek. Liet druppeltjes uit de bomen vallen. Na vier uur onafgebroken rijden, zag Wim de weg niet meer zo duidelijk. Hij zette zijn brommer in de berm en pelde zichzelf van het zadel. Hij wrikte zijn hoofd uit de helm en hoorde de stilte bonzen. Druppeltjes zweet kropen uit z’n haren in zijn kraag. Stijf liep hij een beetje heen en weer en liet zich toen vallen in het gras. Hij at broodjes die Lydia in zijn tas had gestopt en keek om zich heen. Geel gras en heel veel blauwblauwe lucht. Daartussenin golvende hitte.
Hij deed zijn jas uit en propte die in de tas op de plek van de broodjes. Zijn helm hing hij aan het stuur en hij nam zich voor die weer op te doen zodra hij in de bewoonde wereld kwam. Wat kon er tenslotte gebeuren in dit niemandsland? Daarna stapte hij weer op en bromde verder.
Een bolle bries droogde zijn haren en streelde zijn huid. Na nog twee onwerkelijke uren over lange rechte landwegen kwam er een zwart vlekje aan de horizon. Langzaam viel het vlekje uiteen in huizen en een kerk die voetje voor voetje dichterbij kwamen. Wim was intussen zo gewend geraakt aan het aldoor rechtuit rijden, dat hij niet meer zo wendbaar was. En meteen in de eerste bocht van het dorp reed hij pardoes tegen een muur op. Het ging niet eens zo hard, maar toch viel hij om en daarna ging het licht uit.

Grote intens blauwe ogen keken op hem neer. Zo blauw waren de ogen dat Wim zeker wist dat de tranen die daaruit konden vallen ook blauw zouden zijn. Blauwe tranen.. Zo uit de zee.. Heel ver weg voelde hij een streling door zijn haar. De blauwe ogen werden ingewisseld door grijze. Deze hadden ook een mond erbij. Met stoppels eromheen. De mond bewoog. De ogen en de mond werden een gezicht. Het gezicht werd een man. Die over hem heen gebogen stond en hem wat vroeg.
Wim zuchtte eens diep. Oei daar deed zijn hoofd pijn!
“Wil je wat drinken?”
Ohhh graag… dacht Wim, “wwhhh ggghgh!” zei hij.
Hij probeerde rechtop te komen, maar dat lukte niet zo erg. Hij had zo’n last van al die sterren die om hem heen draaiden. Hij deed zijn ogen maar weer dicht en viel in slaap.
Toen hij wakker werd lag hij in een kamertje met gesloten gele gordijnen. Op een tafeltje naast zijn bed een bosje bloemen, een boterham en een glas melk. Bij het raam een stoel met een berg kleren en een grote bos blond haar. Wim kuchte en de bos haar schoot omhoog en onthulde een meisje. Ze had de blauwste ogen die hij ooit zag.
“Ben je wakker?” zuchtte ze. En ze vertelde over zijn ongeluk terwijl ze hem betoverde met haar blik. Wim deed zijn best om stoer te liggen en schraapte zijn keel. En toen wilde hij vertellen over zijn reis, maar hij kwam niet verder dan zijn brommer.
“Ik had een brommer en daarop ging ik naar.. Ik ging op weg naar…. Naar die uhh.. “ Hij lachte een beetje schaapachtig. “Huhh.. Ik ben Wim.”
En het meisje lachte haar gezicht open. “Oke. Ik ben Willemijn.”
Daarna knapte Wim erg snel op. Hij bleek wat overhit te zijn geweest en tja, die helm! Die had beter op zijn hoofd kunnen zitten dan aan zijn stuur. Hij had een flinke klap op zijn hoofd gehad. Maar het was met een sisser afgelopen en al gauw kon hij uit bed en maakte kennis met Kees van de grijze ogen en de stoppelbaard, de vader van Willemijn. Samen woonden ze in een mini-huisje aan de rand van het dorp.
Kees was schilder. Zowel huis- als kunstschilder. Naast het mini-huisje stond een even grote schuur waar Kees zijn atelier had. Er stond een ezel met een paar schilderijen in verschillende stadia. Overal stonden potjes en bakjes met verf en kwasten. En langs de muren beschilderde doeken in rijen dik tegen elkaar. Vooral lege landschappen, maar ook prachtige vrouwen. Hoewel geen zo mooi als Willemijn.
Zij bleef Wim betoveren. Zoals ze haar kin iets omhoog stak als ze lachte. (En dat deed ze veel. Vooral naar Wim.) Haar lichtgevende blauwe ogen. Zoals ze zich bewoog. Licht als een kwikstaartje.
En Kees, die wel zag wat er tussen die twee gebeurde, gaf Wim een kwast en een leeg doek en een plekje in het atelier. Maar nog belangrijker in zo’n situatie: hij liet ze alleen.
Daarna schilderde Wim elke dag als Kees weg was om huizen te schilderen, een nieuwe Willemijn op het doek. De eerste nog wat houterig, maar elke Willemijn werd beter. En toen het doek twee keer zo dik was als in het begin, was de Willemijn op het doek bijna net zo mooi als de echte.
Wim zuchtte ervan.
Ze stonden samen bij het kraantje de kwasten uit te spoelen. Ineens werd Wim zich bewust van haar blote arm tegen de zijne. Hij keek steels opzij. Ze draaide haar gezicht naar hem toe en snel keek hij weg.
Haar hand op de zijne. Zijn hart bonsde plotseling onnodig hard tegen zijn ribben. Dan haar wang, haar geur, haar mond.
Plotseling ging de deur open. Ze maakten een sprongetje van schrik en hoep daar viel een potje in scherven op de grond. Met zijn rode hoofd diep gebogen raapte Wim de scherven bij elkaar en stootte daarbij een doek om dat tegen de muur stond.
Er kwam een kleiner doek achter tevoorschijn met de Eiffeltoren erop.

Parijs…. Wim bleef heel stil staan met de scherven in zijn handen.
Hij slikte.
Daar was ik heen op weg… Nu herinnerde hij zich weer. En moeizaam, alsof de lucht plotseling water was geworden, draaide hij zich om naar Willemijn en Kees.
“Morgen. Moet ik.. Dan ga ik weer.. Want ik was op weg naar..”
Snel liep hij naar buiten. Huilend pakte hij zijn spullen.
Tijdens het eten probeerde Willemijn te begrijpen waarom hij nu ineens weg moest. Wim legde uit: Parijs. En de vrijheid die je daar hebt. En wat hij daar allemaal zou kunnen doen. (Wat dan? Alles wat hij altijd gedroomd had. Hij kwam nu niet verder dan dansen. Maar er was veel veel meer!)
De volgende morgen zag hij dat de tranen van Willemijn niet blauw, maar net als de zijne kleurloos waren. En ook dat ze er heel veel had.
Hij stapte op zijn brommer en scheurde weg.

De eerste uren kon hij maar met moeite door zijn tranen heen de weg onderscheiden. Tegen de middag waren ze bijna opgedroogd. Hij voelde wel dat ze nog lang niet op waren, maar ze bleven nu netjes in zijn hoofd.
Omdat zijn buik begon te knorren stopte hij. Staand naast zijn brommer maakte hij het pakje brood open dat Willemijn voor hem had klaargemaakt. De eerste hap voelde raar taai aan. Hij keek tussen het brood en vond een vettig briefje met een hap eruit:

ve Wim
.. .ou vreselijk van je!
..m je terug om mij te halen?
kussen Willemijn

Hij duwde op zijn ogen om de tranen tegen te houden. Ze stroomden zijn keel in en hij slikte ze door terwijl hij snel snel al het brood op at. Hij veegde de boter van het briefje, stopte het in zijn zak en sprak zichzelf streng toe.
Hoeveel jaar droomde hij van Parijs? Dit was zijn kans! Hij was er heen op weg. Nog maar eventjes.
Hij stapte weer op zijn brommer en ging weer verder. Over een lange betonnen weg. Tussen velden die steeds fletser werden. Langs grijze huizen. Onder een grauwe lucht.
Twee dagen reed hij door. Stopte alleen voor een snelle boterham. Hij sliep naast zijn brommer in het gras met zijn jas als deken. Zo snel mogelijk wilde hij nu in Parijs komen, zonder dat er weer iets tussen kwam.
En er kwam een moment dat de kleine weg niet meer tussen velden liep, maar tussen andere wegen. Hele grote wegen, vol met toeterende auto’s. De grijze huizen waren vervangen door grijze flatgebouwen. Van de grauwe lucht was steeds minder te zien.
Wim z’n hart begon sneller te kloppen. Hij was er nu bijna! Parijs… Het brommertje rammelde door betonnen voorsteden.
Hij raakte de weg kwijt.
Na een flink eind precies de verkeerde kant op te zijn gereden, vond hij de goeie richting weer. Om na een half uur opnieuw verkeerd te rijden.
Hij kreeg een kaartje van een erg behulpzame student. Daarmee loodste hij zichzelf door de steeds onoverzichtelijker wordende stad. Tot hij uiteindelijk op de Champs-Elysées stond en met bonzend hart en grote ogen om zich heen keek.
Parijs!
Daar was ze dan eindelijk! Nog groter en overweldigender dan in zijn dromen.

De eerste dagen in Parijs liep Wim met open mond door de straten. Na een week maakte hij een dansje voor de Eiffeltoren. Een klein dansje, want hij voelde zich wel een beetje ongemakkelijk. Eigenlijk was het niet veel meer dan een huppeltje.
Zijn geld raakte op. Hij moest snel zorgen dat hij werk kreeg. Dat was nog niet zo makkelijk aangezien hij geen woord Frans sprak. Hij huurde een piepklein kamertje en at zo weinig mogelijk om het nog iets langer uit te kunnen houden, maar uiteindelijk kon hij geen brood meer kopen.
Drie dagen leed hij honger.
Hij probeerde niet aan de verrukkelijke broodjes van Lydia te denken. Toen, net op tijd, kon hij aan de slag als afwasser.
Nu gaat het beginnen, dacht Wim. Het goeie leven. Maar na een jaar was het leven nog precies hetzelfde. Elke avond waste hij onder de tl-buizen de borden en glazen van mensen die heerlijk hadden gegeten. Die lachten en roezemoesten bij het kaarslicht in het restaurant.
’s Nachts liep hij terug naar zijn kamertje en lag urenlang in het donker naar zijn plafond te staren. Hij verbood zichzelf terug te denken aan Willemijn, maar luisterde slecht en deed het toch. Als hij eindelijk in slaap viel droomde hij onrustig van de zon op rode daken en geurig hooi. Van verf en hemelsblauwe ogen. Pas in de middag werd hij wakker, zwierf een paar uur door de straten tot hij weer moest werken.
Zelfs na een jaar sprak hij niet meer dan tien franse woorden. Er gingen ook dagen voorbij dat hij er niet één van sprak. Hij wachtte op betere tijden. Hij wist zeker dat die gingen komen, hij was tenslotte in Parijs.
Zo gingen de jaren voorbij als een ketting van dagen die gevuld waren met wachten. Hij werd ouder en leerde telkens wat franse woorden erbij, maar gebruikte ze bijna nooit. Aan het eind van zijn leven woonde hij nog in hetzelfde piepkleine kamertje en wachtte koppig op betere tijden, want hij wist niet dat dit het einde van zijn leven was.
Hij werd ziek.
Hij hoestte.
De dokter kwam en constateerde longontsteking, maar Wim begreep niets van het snelle frans en volgde de onbegrijpelijke adviezen niet op.
Zijn laatste gedachten waren hoopvolle. Dat het leven nu toch echt snel beter moest gaan worden.
Hij had al zo lang gewacht.
En hij was tenslotte in Parijs.

FacebookFacebook

2 gedachten over “De brommer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *